Didachè

LEER DER

TWAALF

APOSTELEN

 

EEN GETUIGENIS UIT DE GESCHIEDENIS VAN DE OUD-CHRISTELIJKE LETTERKUNDE

 

Ingeleid, Vertaald en Toegelicht door: J.C. PRINS, Emeritus-predikant te Bilthoven

 

Voorwoord van PROF. DR. D. PLOOIJ, Hoogleraar te Amsterdam

 

H.J. PARIS - AMSTERDAM

 

 

INHOUD:

 

Voorwoord

Inleiding:

1. Tijd van Vervaardiging

2. Landstreek en Plaats van Vervaardiging

3. Verdeling

Deze Didachè heeft 16 hoofdstukken

Toelichtingen

Register

 

 

VOORWOORD

Gaarne wil ik met een enkel woord deze pennevrucht van een “bene meritus” inleiden. Zij maakt geen aanspraak op zelfstandige wetenschappelijke waarden, maar rust toch op toegewijde studie en beoogt slechts één der merkwaardigste Oud-Christelijke geschriften voor een bredere kring toegankelijk te maken en enigermate toe te lichten. De “leer der twaalf apostelen” is - afgezien van de aanwijzingen, die wij reeds in de Pastoraalbrieven vinden - de oudste verzameling van wat wij gewoon zijn “Kerkordeningen” te noemen, de eerste bekende schriftelijke verzameling en fixering van wat in de oude Christelijke gemeente, waar zij ontstond, als regel en richtsnoer gold voor belijdenis en leven, voor liturgie en “kerkrecht”. Talrijke vragen zijn nog onbeantwoord, zelfs de streek der Oude Christenheid, waar deze verzameling ontstond, is niet met zekerheid bekend. Ook zullen Christenen van de nieuwe tijd in dit geschrift, waarin nog het bruisende leven van het jonge Christendom klopt, allerlei “vreemds” vinden. Des te groter is de betekenis ervan, al was het alleen maar om te laten zien, dat de “organisatie” der oude Christenheid niet zo star was, als menigeen ons wil doen geloven.

Een eresaluut aan de bewerker: theoloog van een oudere generatie, ná een leven van praktische arbeid “rude donatus”, maar nog vol levende belangstelling voor de studie: een aansporing aan de jonge generatie om, in de veelvormigheid en verstrooiing van het praktische ambt, de studeerkamer niet te verwaarlozen, waar in stille, strenge arbeid de bezinning en bezadigdheid moet verkregen worden, die onze aanspraak om geestelijke leidslieden te zijn rechtvaardigt.

 

D. PLOOIJ, Amsterdam, 19 Januari 1931.

 

 

Inleiding

Een van de minst bekende tijdperken uit de geschiedeis van het Christendom is zeker wel het tijdperk, dat, wat zijn aanvang betreft, wordt begrensd door de scherp getekende figuur van de apostel Paulus en de reeks van zijn vrij algemeen als echt erkende brieven, en dat, wat zijn einde aangaat, wordt bepaald door de duidelijk in 't licht tredende persoonlijkheid van Justinus de Martelaar met zijn Christelijke verdedigingsgeschriften, ongeveer 64/67-160/170 ná Christus.

Weliswaar dateren uit die tijd de Nieuw Testamentische geschriften, en zijn ons bovendien uit die periode van de werken der zogenaamde Apostolische Vaders overgeleverd: de 1e brief van Clemens aan de Corinthiërs, de brief van Barnabas en de Pastor van Hermas (?130-140 na Chr.) Ook dienen wij niet te vergeten wat uit Tacitus, Suetonius e.a. ten aanzien van de Christenen kan worden afgeleid.

Maar het is betrekkelijk weinig dat deze mannen geven; en de auteurs van de jongste N.-T.sche geschriften, evenals de Apostolische Vaders, maken ons slechts in 't voorbijgaan en onopzettelijk met het dagelijks leven en streven der Christenen bekend.

't Is met hen evenals Harnack in zijn “Texte und Untersuchungen zur Geschichte der alt-Christlichen Literatur,” waarin een verhandeling over de Leer der Twaalf Apostelen van ? 300 bladzijden staat afgedrukt, opmerkt betreffende Bullinger, die in zijn voortreffelijke geschiedeis van de Zwitserse Reformatie, af en toe b.v. van de inrichting der godsdienstoefeningen of van de een of andere kerkelijke wet zegt: “het is bekend” of “dat stuk is gedrukt.”

Zo veronderstellen de zoëven genoemde oud-Christelijke auteurs dat ieder, die hen leest, bekend is met de dingen, die ieder goed Christen in hun tijd immers wist en beoefende: de gebruiken en zeden van het huiselijk en kerkelijk leven. Zij hebben een bijzondere aanleiding, die hen tot schrijven zet; deze of die vraag moet beantwoord en één of andere moeilijkheid uit de weg geruimd; een dwaling moet bestreden of een waarheid ontwikkeld worden.

 

*** *** ***

 

Over het gewone en alledaagse leven der Christenen laten de apostelen en Apostolische Vaders zich slechts ter loops uit. Lijnen, waarlangs het leven moet gaan, zijn er bij hen genoeg te vinden, doch bepaalde aanduidingen, hoe men in vele gevallen moet handelen, worden minder aangetroffen. Wel hebben in de laatste jaren vele geleerden, zowel in het buitenland als hier te lande, in hun uitgaven van de werken der Apostolische Vaders het meer verborgen leven van de eerste christenen in veel helderder licht geplaatst. Maar er bleef toch menig belangrijk punt in het duister. En .... het gebied der veronderstellingen strekte zich nog zo vèr uit! Welk een heerlijke voldoening was het voor allen, die in deze en dergelijke zaken belangstellen, toen een gedenkstuk werd ontdekt, dat geen nieuwe brokstukken bij de oude voegde en meer raadsels opgaf dan oploste, maar dat zich naar vorm en inhoud beide zo dicht mogelijk aansloot aan de kennis, die zij van de toestand der na-apostolische gemeenten had verworven; een gedenkstuk, dat deze wetenschap bevestigt, verdiept, uitbreidt en in enkele opzichten ook afsluit.

 

*** *** ***

 

Wij bedoelen “de Leer der Twaalf Apostelen,” in 1875 door Bryennius, de Metropoliet van Nicomedië, in het Jeruzalemsche klooster te Constantinopel ontdekt en in 1883 in 16 Hoofdstukken met zeer omvangrijk Prolegomena openbaar gemaakt onder de titel: “Leer der Twaalf Apostelen.”

Dat deze uitgave in de godgeleerde wereld het hoogste opzien baarde, blijkt zeker hieruit dat, na verloop van enkele jaren, een letterkunde over haar is ontstaan, die in uitgaven, verhandelingen, kortere en langere mededelingen, ongeveer 200 nummers bedraagt. En inderdaad was dan ook deze nieuwe vondst van de grootste betekenis.

De Leer der Twaalf Apostelen bevatte toch een oorkonde over zaken, waarvan men tot op die tijd nog zeer weinig wist.

Haar inhoud stelde ons in staat de oudste organisatie van een Christelijke gemeente in het Romeinse Rijk beter te leren kennen, omdat nieuw licht werd geworpen op verschillende zaken: doop, vasten, gebedsorde, eucharistie (avondmaal); op personen: apostelen, profeten en leraars; op handelingen: regeling der te maken rondreizen, het eerste na-apostolische zendingswerk, Zondagsviering; op werkzaamheden van ouderlingen en diakenen.

En daar het volgens bevoegde beoordelers geschreven is in een goed Hellenistisch Grieks, mag het ons niet verwonderen dat dit geschrift alom met grootte belangstelling werd ontvangen. Men prees het overal aan.

Aan de Universiteiten werden er colleges over gegeven. In Amerika, echt Amerikaans, liet men zich de tekst zelfs per telegraaf overseinen, en van de editie Hitchcock-Brown te New York werden de 20ste Maart 1884, de dag der uitgave, niet minder dan 5000 exemplaren verkocht. Dat er dientengevolge overvloedige studies zijn aan te wijzen, om de kennis van dit geschrift te vermeerderen, behoeft niet gezegd te worden.

Uit die studies slechts enkele: Ik noemde reeds Harnack's Texte und Untersuchungen zur Geschichte der alt-christlichen Literatur. Daarbij: Dr. H.G. Kleyn, die het de moeite waard vond, om wat hij er over dacht, in het Duits uit te geven onder de titel: “die Apostellehre.” We kunnen verder noemen: Dr. H.U. Meyboom, die een Hollandse vertaling met inleiding en aantekeningen plaatste in het Theologisch Tijdschrift (1885).

Dr. J.J. Prins bezorgde een tekstuitgave bij Brill te Leiden, 1884. Dr. G.A. van de Bergh van Eysinga bewerkte een hier en daar wel wat vrije, doch vlotte Nederlandse vertaling, uitgegeven in “Oud-Christelijke Geschriften, “Sythoff's Uitg. Mij, Leiden 1916.

Paul Sabatier schreef er te Parijs een dissertatie over, onder de titel: “la didachè ou l'enseignement des douze Apôtres,” een geschrift, ook hier te lande zeer geprezen.

Neutestamentliche Apocryphen von E. Hennecke, zweite Auflage, S 555w., Tübingen 1924.

 

 

1. TIJD VAN VERVAARDIGING

Verschillende geleerden hebben alle decenniën van 50-190 na Chr. de revue laten passeren, om de tijd der vervaardiging vast te stellen; ja, er zijn er zelfs geweest, die het geschrift naar de 4e eeuw verplaatsten.

Daar echter dit Christelijk leerboekje of zoals het ook wel wordt genaamd: “Kerkelijk handboekje,” een volstrekt onpersoonlijk geschrift wil zijn - de naam van de schrijver wordt niet genoemd; de plaats van herkomst niet aangewezen; ja zelfs alle eigen gedachten worden door de ons onbekende auteur, zover mogelijk terzijde gezet - doen wij wèl met de uitspraak van de bedachtzame geleerde Prof. Kleyn ter harte te nemen, als hij zegt: het jaartal van vervaardiging is wetenschappelijk niet juist te bepalen.

Volgens die geleerde brengen de uitwendige gronden niet verder dan tot de kennis, dat ons geschrift als “heilige schrift” aan Clemens Alexandrinus in zijn vroegste letterkundige arbeid is bekend geweest. En dientengevolge kan men het geenszins nà 165 plaatsen.

Dat men die datum niet mag overschrijden, is ook op grond van inwendige gegevens aan te nemen. Immers de Leer der Twaalf Apostelen lezende van hoofdstuk 1-16 mist men:

1. elk spoor van een Nieuw-Testamentische Kanon en van het gezag der brieven van Paulus;

2. elke aanduiding van een Symbolum, van een regula fidei en van een geregelde dogmatische onderwijzing;

3. elke zinspeling op het monarchisch Episcopaat. Daarbij is op te merken dat ook ontbreken: vermeldingen van symbolische, de doop begeleidende handelingen, welke in geschriften van latere datum telkens worden genoemd, en dat er voor de schrijver wèl ouderlingen en diakenen zijn, doch dat niet deze maar wel de profeten en leraars de eerste rol in de gemeenten spelen.

Allemaal bewijzen dat in de kring, waaruit het boekje afkomstig is, de z.g. Katholieke kenmerken nog geheel onbekend zijn.

Men doet daarom wèl de vervaardiging van het geschrift te stellen tussen de jaren 64-150 na Chr. Immers hij, die nà het jaar 150 schrijft, moet rekening houden met de richtingen, die “scheurmakers” in het leven riepen; met de Marcionieten en de Montanisten. De auteur van de Leer der Twaalf Apostelen spreekt zeer in 't algemeen van dwaalleraars en valse profeten. Wie ook regels wil stellen voor gedrag en wandel, moet na het jaar 150 een bepaald gevoel hebben over het veldwinnend ascetisme, dat de zinnelijkheid als zodanig reeds veroordeelt en het huwelijksleven òf verbiedt òf als een noodwendig kwaad beschouwt.

Onze auteur kent wel een ascetisch beginsel, dat leraren (let wel!) voor zichzelf kunnen toepassen, maar dat door niemand bepaald wordt opgelegd.

Met vele onderzoekers mogen wij dan ook op goede gronden aannemen, dat het geschrift dateert van tussen de jaren 120-150 na Chr., terwijl deze data nog bevestigd worden doordat het blijkt niet onbekend te zijn aan de brief van Barnabas (de Twee Wegen) en het waarschijnlijk verwantschap vertoont met Hermas (Hoofdstuk I en II vgl. Hermas, Gebod Il : 4-6, VIII : 3-5, Xl: 7).

 

 

2. LANDSTREEK EN PLAATS VAN VERVAARDIGING

Deze zijn tot heden niet met zekerheid aan te wijzen. De ongenoemde schrijver kan volgens het oordeel van velen niet gewoond hebben in Klein-Azië, waar de kerkelijke inrichtingen en godsdienstige gebruiken in de Christelijke gemeenten naar het getuigenis van Justinus reeds een meer samengesteld karakter droegen.

Ook niet in Syrië en Palestina, daar de auteur niets schijnt te weten van Joodsgezinde christenen en men ook daar, evenals in de Christelijke gemeenten van Klein-Azië, reeds een vastere vorm van bestuur had. Vele onderzoekers willen liever denken aan Egypte, op grond van de volgende overwegingen:

Uit Egypte zijn de eerste berichten omtrent het bestaan van het geschrift tot ons gekomen.

Daar hebben, naar het getuigenis van Clemens Alexandrinus en Origenes, de vrije leraars met de apostelen en profeten, van wie in de Hoofdstukken 11-13 wordt gesproken, zich het langst staande gehouden.

Daar heeft Clemens Alexandrinus het geschrift niet slechts gekend, maar daar heeft het in zijn dagen ook reeds zulk een gezag verworven, dat hij in één adem met Spreuken 21:11 (de Schrift heeft gesproken) en Joh. 7:18 (de Heer zegt) het geschrift letterlijk aanhaalt.

Voor Egypte kan verder gewezen worden op Athanasius, de bekende pater orthodoxiae van Alexandrië, die in 367 onder de niet-kanonieke geschriften, naast de Wijsheid van Salomo, Jezus Sirach, Judith, Tobith, de Pastor van Hermas, het zogenaamd “onderwijs der apostelen” noemt en daarvan zegt dat het van de vaderen afkomstig is en waardig bij het onderwijs in de godsdienst te worden gebruikt. Als wij nu bij dit alles de mededeling voegen, die in de dissertatie van Paul Sabatier staat te lezen, dat de tegenwoordige Koptische en Ethiopische christenen in Egypte nog een zgn. Rechtsboek bezitten, waarin vele gedachten aan de Leer der Twaalf Apostelen zijn ontleend, dan is er wel enige grond tot het vermoede dat het geschrift op Egyptische bodem is geschreven, al kan ook de plaats wáár, niet nader worden aangeduid.

 

 

3. VERDELING

De Leer der Twaalf Apostelen wijst ons van zelf vier afdelingen aan:

I. De Hoofdstukken 1-6 spreken met het oog op aanstaande dopelingen over de twee wegen (de weg ten leven en de weg ten doodde) en verbinden daaraan opsommingen van allerlei zonden, waartegen men op zijn hoede dient te zijn;

II. De Hoofdstukken 7-10 handelen over doop, vasten, gebed en eucharistie, zaken, welke meer de eredienst raken;

III. De Hoofdstukken 11-15 geven ons gedragslijnen tegenover echte en valse leraars, apostelen en profeten, en hoe men hen kan leren kennen;

IV. Het Slothoofdstuk 16 houdt een opwekking in, om zich voor te bereiden tot de komst des Heren.

 

 

Didachè

 

“LEER DER TWAALF APOSTELEN” 1)

 

Leer des Heren door de Twaalf Apostelen aan de Volkeren

 

 

HOOFDSTUK I

  • Er zijn twee wegen, de een ten leven en de andere ten doodde 2), doch er is een groot onderscheid tussen die twee wegen.

  • Dit nu is de weg ten leven, ten eerste: gij zult God, die u geschapen heeft, liefhebben; ten tweede: uw naaste als uzelven 3).

  • Al wat gij wilt, dat u niet geschiedt, doet gij dat ook niet aan een ander 4).

  • Van deze woorden is de leer deze: zegent hen, die u vervloeken en bidt voor uw vijanden, en vast voor hen, die u vervolgen, want hoedanig dank (oogst gij in) als gij liefhebt, die u liefhebben?

  • Doen ook de heidenen niet hetzelfde? 5)

  • Gij echter, hebt lief, die u haten en gij zult geen vijand hebben 6).

  • Onthoudt u van vleselijk en zinnelijke begeerlijkheden 7).

  • Als iemand u een slag op de rechterwang geeft, keer hem ook de andere toe en gij zult volmaakt zijn.

  • Indien iemand u dwingt één mijl te gaan, ga er twee met hem. Indien iemand uw bovenkleed neemt, geef hem ook het onderkleed. Indien iemand het uwe van u heeft genomen, vraag het niet terug 8), want gij kunt het niet terug krijgen.

  • Geef aan ieder, die iets van u vraagt en verlang het niet terug 9), want de Vader wil dat aan allen gegeven wordt uit Zijn eigen gaven 10).

  • Welzalig, die geeft naar het gebod, want hij is onschuldig 11).

  • Wee, die aanneemt, want indien iemand iets aanneemt, die iets nodig heeft, hij zal vrij van schuld zijn 12), maar is hij niet behoeftig, dan zal hij rekenschap geven waarom en waartoe hij het aannam.

  • In de gevangenis (gezet) zal hij ondervraagd worden over hetgeen hij gedaan heeft en er niet uitgaan, totdat hij het laatste geldstukje heeft betaald 13).

  • Maar ook met het oog hierop is gezegd: laat uw aalmoes zweten in uwe handen, totdat gij weet, aan wie gij ze geeft 14).

  •  

    Noten HOOFDSTUK I

    1) Aan de vertaling is de tekstuitgave van Dr. J. J. Prins ten grondslag gelegd (Brill, Leiden 1884).

    2) Jer. 21: 8; Matteüs 7: 13, 14.

    3) Matteüs 22: 37-39; Jezus Sirach 7: 30; Deut. 6: 5; Lev. 19: 18.

    4) Matteüs 7: 12; Luc. 6: 31.

    5) Luc. 6: 28, 32; Matteüs 5: 44, 46.

    6) Luc. 6: 27, 35.

    7) 1 Petr. 2: 11; Titus 2: 12.

    8) Matteüs 5: 39-48; Luk. 6: 29, 30.

    9) Luc. 6: 30.

    10) Matteüs 5: 45.

    11) vgl. Hermas, Gebod II: 4-6.

    12) Matteüs 5: 7.

    13) Matteüs 5: 25, 26; Luc. 12: 58, 59.

    14) Aanhaling van tot heden onbekende herkomst.

     

     

    HOOFDSTUK II

  • Het tweede gebod der leer nu is: gij zult niet doden, gij zult niet echtbreken 1); gij zult geen kinderen schenden, geen ontucht bedrijven; niet stelen, niet het bedrijf van magiër uitoefenen, geen toverdrank bereiden, geen kind doden, hetgeen ten ondergang bestemd is, noch in hetgeen geboren is, zult gij moordend ingrijpen. (Duitse vertaling bij Hennecke: du sollst nicht Leibesfrucht abtreiben noch ein Neuge-borenes töten.)

  • Gij zult niet begeren wat uw naasten is 2), geen valse getuigenis geven 3), niet kwaad spreken 4), niet haatdragend zijn 5).

  • Gij zult niet dubbelhartig zijn, noch tweetongig zijn, want de tweetongigheid is de strik des doods.

  • Uw rede zal niet bedrieglijk zijn, niet ijdel, maar vol van daad zal ze wezen 6).

  • Gij zult niet hebzuchtig zijn, noch roofziek, noch geveinsd, noch slecht van zede, noch hovaardig 7).

  • Smeed geen boze raad tegen uw naaste. Gij zult niemand haten, maar gij zult hem terechtwijzen, voor hem bidden en liefhebben boven uw eigen leven 8).

  •  

    Noten HOOFDSTUK II

    1) Ex. 20: 13 vv.; Deut. 5: 17 vv.; Matteüs 19: 18.

    2) Ex. 20: 15; Deut. 5: 19; Matteüs 19: 18.

    3) Ex. 20: 16.

    4) cf Gal. 5: 20.

    5) cf Matteüs 15: 4; 5: 22.

    6) Matteüs 5: 37; 23: 2.

    7) 1 Petr. 2: 1; Rom. 1: 29.

    8) Judas: 22.

     

     

    HOOFDSTUK III

  • Mijn kind! ontvlied elke boosheid en al wat daarop gelijkt 1).

  • Word niet toornig, want de toorn leidt tot doodslag.

  • Wees niet ijverzuchtig, noch twistziek, noch humeurig, want uit dat alles komen doodslagen voort 2).

  • Mijn kind! wees niet begerig, want de begeerte voert tot ontucht; noch vuilsprekend 3), noch hoog van ogen, want uit (deze dingen) komen echtbreuken voort.

  • Mijn kind geef op geen vogelgeschrei acht, terwijl het aanleiding geeft tot afgoderij 4).

  • Word geen zanger van toverliederen, noch een sterrenwichelaar, noch een tovenaar, wil bij deze soort van dingen zelfs niet toezien, want daaruit komt afgoderij voort.

  • Mijn kind! word geen bedrieger, terwijl het bedrog leidt tot diefstal; noch geldzuchtig, noch door praalzucht gedreven, want uit dat alles komen diefstallen voort.

  • Mijn kind! mor niet, daar dat leidt tot godslastering 5), noch wees aanmatigend 6), noch kwade dingen bedenkend, want uit dat alles komen godslasteringen voort.

  • Maar wees zachtmoedig, want de zachtmoedigen zullen het aardrijk beërven 7).

  • Word lankmoedig en barmhartig 8), en afkerig van boosheid, en stil en goed en beef voortdurend voor de woorden, die gij hebt gehoord 9).

  • Gij zult uzelf niet verheffen 10) en uwe ziel niet aan overmoed overgeven.

  • Uw leven zal niet verbonden worden aan hooghartigen, maar met rechtvaardigen en nederigen zult gij verkeren.

  • De u overkomende omstandigheden zult gij ontvangen als goede dingen 11), wetende dat buiten God niets geschiedt.

  •  

    Noten HOOFDSTUK III

    1) 1 Tess. 5: 22; Rom. 12: 9.

    2) Spr. 29: 22; Jac. 1: 19, 20; 3: 16.

    3) cf. Kol. 3: 18; Ef. 5: 3, 4.

    4) Lev. 19: 26, 31; Deut. 18: 9-12.

    5) Judas 16; Filipp. 2: 14.

    6) cf 2 Petr. 2: 10.

    7) Matteüs 5: 5.

    8) cf Kol. 3: 12.

    9) Jes. 66: 2.

    10) Rom. 12: 16.

    11) Rom. 8: 28.

     

     

    HOOFDSTUK IV

  • Mijn kind! gij zult hen, die het woord Gods tot u spreekt, dag en nacht gedenken 1) en hem eren als (de) Heer, want waar de (geestelijke) heerschappij wordt besproken, daar is de Heer.

  • En gij zult dagelijks het aangezicht der geheiligde opzoeken, opdat gij rust vindt in hun woorden.

  • Gij zult geen scheuring maken, maar vrede stichten tussen strijdende; gij zult rechtvaardig oordelen, de persoon niet in aanmerking nemen bij overtredingen 2).

  • Gij zult niet in twijfel verkeren of het zal zijn of niet 3).

  • Wees niet zo dat gij de hand uitstrekt om te ontvangen, maar ze terugtrekt als het aankomt op geven 4).

  • Indien gij hebt, zult gij door uw hand verlossing van uw zonde geven 5).

  • Gij zult niet aarzelen te geven, noch, na gegeven te hebben, er over klagen 6), want gij zult weten wie de goede Vergelder des loon is.

  • Gij zult hem die vraagt niet afwijzen 7), maar alles met uw broeder delen en niet zeggen dat het het uwe is 8), want als gij in onvergankelijke dingen alles met elkander gemeen hebt, hoeveel te meer in het vergankelijke 9).

  • Gij zult uw hand niet onttrekken aan uw zoon of dochter, maar hun van jongs aan leren de vreze Gods 10).

  • Gij zult uw dienstknecht of dienstmaagd, die hopen op dezelfde God, niet bestraffen in uw toorn, opdat zij God, die over u beide is, de vreze niet opzeggen, want Hij komt niet, om naar het uiterlijk te roepen, maar (rekent met) hen, die de Geest heeft toebereid.

  • Maar gij, dienstknechten, zult u aan uw heren onderwerpen als het beeld Gods, met schaamte en vrees 11).

  • Gij zult alle geveinsdheid haten en al wat de Heer niet welbehaaglijk is.

  • Gij zult de geboden des Heren niet verlaten, maar bewaren wat gij hebt ontvangen, zonder er iets aan toe te voegen of af te doen 12).

  • In de gemeente zult gij uw overtredingen belijden 13) en niet naderen tot uw gebed met een kwaad geweten.

  • Dit (nu) is de weg ten leven.

  •  

    Noten HOOFDSTUK IV

    1) Hebr. 13: 7.

    2) Lev. 19: 15; Deut. 16: 19.

    3) Jac. 1: 8.

    4) Hand. 20: 35.

    5) Dan. 4: 27.

    6) 2 Kor. 7; 1 Petr. 4: 9.

    7) Jezus Sirach 4: 5.

    8) Hand. 4: 32; 12: 13.

    9) Rom. 15: 27.

    10) Ef. 6: 4.

    11) Ef. 6: 5, 9.

    12) Deut. 12: 32; Hand. 22: 14, 18, 19.

    13) Jac. 5: 16.

     

     

    HOOFDSTUK V

  • Maar de weg naar de dood is deze. Allereerst is hij slecht en vol vloek: moorden, echtbreuken, begeerlijkheden, hoererijen, diefstallen, afgodendiensten, toverkunsten, giftmengingen, roverijen, valse getuigenissen, geveinsdheden, dubbelhartigheid, list, hovaardij, slechtheid, zelfgenoegzaamheid, hebzucht, schandelijke taal, jaloersheid, overmoed, hoogheid, praalvertoon; (lieden) die goede (mensen) vervolgen, die de waarheid haten, de leugen beminnen, het loon der gerechtigheid niet kennen, zich niet hechten aan het goede noch aan een rechtvaardig oordeel; die niet op het goede de wacht houden, maar op het kwade 1). Die verre zijn van zachtheid en geduld, ijdelheden beminnen, vergelding najagen, geen medelijden hebben met de behoeftige, niet lijden met hem, die vermoeid is, Hem, die hen geschapen heeft, niet kennende; moordenaars van kinderen, verdervers van hetgeen God geformeerd heeft; die zich van de arme afwenden, de verdrukte kwellen; pleitbezorgers van rijken, onrechtvaardige rechters over arme, met alle zonde behept.

  • Moogt gij, kinderen voor al deze (lieden) bewaard worden! 2)

  •  

    Noten HOOFDSTUK V

    1) Ef. 6: 18.

    2) Ook Hermas geeft in Gebod 8: 3-5 een brede opsomming van zonde; vgl. Rom. 1: 24-32.

     

     

    HOOFDSTUK VI

  • Zie toe, dat niemand u van deze weg der leer afvoert 1), want hij leert u (dingen) buiten God.

  • Want als gij heel het juk des Heren kunt dragen, zult gij volmaakt zijn 2).

  • En indien gij het niet kunt, doe dan wat gij kunt.

  • Wat het eten aangaat, neem tot u wat gij kunt, maar wacht u zeer voor hetgeen de afgoden is geofferd, want dat is dienst van doodde goden.

  •  

    Noten HOOFDSTUK VI

    1) Matteüs 24: 4.

    2) Matteüs 11: 29, 30; 19: 21.

     

     

    HOOFDSTUK VII

  • Wat nu de doop betreft, doopt aldus:

  • Nadat gij al deze dingen te voren gezegd hebt, doopt in de naam des Vaders, des Zoons en des Heilige Geestes 1) in stromend water.

  • Als gij geen stromend water hebt, doop (dan) in ander water. En als gij het niet kunt in koud (dan) in warm. En hebt gij geen van beide, giet (dan) op het hoofd driemaal water in de naam des Vaders, des Zoons en des Heilige Geestes.

  • Maar vóór de doop, vaste te voren hij, die doopt en die gedoopt wordt, en enige anderen als zij kunnen; (in elk geval) zult gij hem, die gedoopt wordt, bevelen te vasten één of twee dagen van te voren.

  •  

    Noot HOOFDSTUK VII

    1) Matteüs 28: 19.

     

     

    HOOFDSTUK VIII

  • Uw vastendagen mogen echter niet met de geveinsde zijn 1), want zij vasten op de tweede en op de vijfde dag van de week 2), maar gij vast de vierde dag en (op de dag) vóór de Sabbat.

  • Bidt ook niet als de geveinsde, maar zoals de Heer in zijn Evangelie 3) gebiedt.

  • Bidt aldus:

  • Onze Vader, die in de hemel 4) zijt,

    uw naam worde geheiligd

    uw koninkrijk kome,

    uw wil geschiedde als in de hemel ook op aarde,

    geef ons dagelijks ons genoegzaam brood,

    en vergeef ons onze schuld 5), gelijk ook

    wij vergeven 6) onzen schuldenaars,

    en leid ons niet in verzoeking,

    maar behoed ons voor de boze

    want van U is 7) de kracht en de heerlijkheid

    tot in eeuwigheid.

  • Bidt zo driemaal daags font size="1">8).

  •  

    Noten HOOFDSTUK VIII

    1) Matteüs 6: 17.

    2) Luc. 18: 12.

    3) Matteüs 6: 5-13; Luc. 11: 2-4.

    4) bij Matteüs: in de hemelen.

    5) bij Matteüs: onze schulden.

    6) bij Matteüs: vergeven hebben.

    7) “Koninkrijk” is hier weggelaten.

    8) Dan. 6: 11.

     

     

    HOOFDSTUK IX

  • Wat nu de eucharistie (d.i. avondmaalsviering) betreft, alzo zult gij (die plechtigheid) dankzeggend vieren. Vooreerst bij de beker:

  • Wij danken U, onze Vader! voor de heilige wijnstok Davids 1), uw knecht, die gij ons door Jezus, uw knecht, hebt doen kennen.

  • U zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid!

  • Dan bij het broodbreken: wij danken U, onze Vader! voor het leven en de kennis, die gij ons door Jezus, uw knecht, hebt doen kennen.

  • U zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid!

  • Gelijk dit gebroken brood verstrooid was op de bergen en, te zamen gebracht, één werd, zó wordt uw gemeente van het einde der aarde in uw koninkrijk te zamen gebracht.

  • Want U is de heerlijkheid en de kracht door Jezus Christus tot in eeuwigheid!

  • En niemand eet noch drinkt van uw avondmaal, dan (alleen) zij, die gedoopt zijn in de naam des Heren 2), want ook ten opzichte van deze heeft de Heer gezegd: geeft het heilige de honden niet 3).

  •  

    Noten HOOFDSTUK IX

    1) Joh. 15: 1; Jes. 11: 1, 10.

    2) Hand. 8: 16; 19: 5.

    3) Matteüs 7: 6.

     

     

    HOOFDSTUK X

  • En nadat gij u verzadigd hebt, dankt aldus:

  • Wij danken U, heilige Vader 1) voor uw heilige Naam, die gij hebt doen wonen in onze harten, en voor de kennis en het geloof en de onsterfelijkheid, die gij ons hebt doen kennen door Jezus, uw knecht.

  • U zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid!

  • Gij Almachtige Heer! hebt alles geschapen om uws naams wil 2); voedsel en drank hebt gij de mensen gegeven om er van te genieten, opdat zij U zouden danken, maar òns hebt gij geestelijke spijzen geschonken en drank en eeuwig leven door middel van uw knecht.

  • Vóór alle dingen danken wij U, omdat gij machtig zijt.

  • U zij de eer tot in eeuwigheid!

  • Gedenk, o Heer! uw gemeente, om haar te behoede voor alle kwaad 3), en haar te voleindigen in uw liefde 4), en breng haar bijeen van de vier windstreken 5), de geheiligde (gemeente) tot uw Koninkrijk, dat gij haar bereid hebt 6), want U is de macht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid.

  • (De) genade kome en deze wereld ga voorbij.

  • Hosanna de Zoon Davids! 7)

  • Indien iemand heilig is, hij nadere; indien iemand het niet is, hij bekeere zich.

  • Maranatha, Amen! 8)

  • En staat de profeten toe te danken zoveel zij willen.

  •  

    Noten HOOFDSTUK X

    1) Joh. 17: 11.

    2) vgl. Wijsheid 1: 14; Jezus Sirach 18: 1; 24: 8; Ef. 3: 9; Hebr. 3: 4; Openb. 4: 11.

    3) 2 Tim. 4: 18.

    4) 1 Joh. 4: 18.

    5) Matteüs 24: 31.

    6) Matteüs 25: 34.

    7) Matteüs 21: 9.

    8) 1 Kor. 16: 22.

     

     

    HOOFDSTUK XI

  • Wie dan komt (en) al deze dingen, die hier boven genoemd zijn, leert, ontvangt hem, maar als de leraar, zelf verkeerd, een andere leer onderwijst, om af te breken, luistert niet naar hem 1), maar (onderwijst hij) om gerechtigheid en kennis des Heren aan te brengen, neemt hem dan aan als (de) Heer 2).

  • En wat nu de apostelen en profeten aanbelangt, handel zo naar het voorschrift van het Evangelie 3). En iedere apostel, die tot u komt, wordt aangenomen als (de) Heer.

  • Hij blijft (dan) maar één dag, maar als het nodig is ook de volgende, doch indien hij drie dagen blijft, is hij een valse profeet.

  • En de apostel neemt bij zijn vertrek niets dan wat hij nodig heeft tot hij weer kan overnachten; als hij echter om geld vraagt, is hij een valse profeet.

  • En gij lieden zult geen profeet, die spreekt in (de) Geest, beproeven en beoordelen, want elke zonde zal vergeven worden, maar deze zonde zal niet worden vergeven 4).

  • Maar niet ieder, die spreekt in (de) Geest, is profeet, maar (slechts) dan, indien hij de wijze-van-doen heeft, die de Heer had 5).

  • Uit die wijze-van-doen zal de valse profeet en de (ware) profeet gekend worden 6).

  • En iedere profeet, die sprekend in (de) geest, een tafel laat aanrichten, wordt er niet van gespijzigd, anders is hij een valse profeet.

  • Maar iedere profeet, die de waarheid leert, indien hij niet doet, wat hij leert 7) is een valse profeet. En iedere profeet, beproefd, waarachtig en handelend naar Gods geheime raadsbesluiten over de gemeente in de wereld 8), maar die (anderen) niet leert te doen, wat hij zelf doet, zal bij u niet geoordeeld worden, want bij God heeft hij zijn oordeel, want eveneens deden ook de oude profeten.

  • Maar al wie zegt in (de) Geest: geef mij geld of iets anders, gij zult niet naar hem luisteren 9), maar als hij u zegt te geven voor anderen, die gebrek lijden, (dan) oordeelt hem niemand.

  •  

    Noten HOOFDSTUK XI

    1) 2 Joh. 10.

    2) Matteüs 10: 40; Luc. 10: 16; Joh. 13: 20.

    3) Matteüs 10: 5-12; Luc. 7: 15-23; Luc. 9: 1-6; 10: 4-21.

    4) Matteüs 12: 31; Luc. 12: 10; Marc. 3: 28-30.

    5) Matteüs 7: 22, 23.

    6) Matteüs 7: 15, 16.

    7) Matteüs 13: 3.

    8) onzekere vertaling; de tekst is vermoedelijk corrupt. Dr. G.A. v.d. B. v. E. vertaalt: “overeenkomstig het wereldlijk geheim van de Kerk.”

    9) Matteüs 10: 8.

     

     

    HOOFDSTUK XII

  • En ieder, die komt in de naam des Heren, wordt ontvangen.

  • Daarna als gij hem beproefd hebt, zult gij hem kennen, want dan zult gij inzicht hebben over heel zijn doen en laten.

  • Indien dan hij, die komt, doortrekkend is, helpt hem zoveel gij kunt; maar hij zal bij u lieden niet langer dan twee of zo nodig drie dagen vertoeven. Als hij zich echter bij u wil vestigen als ambachtsman, laat hem (dan) werken en eten 1).

  • Indien hij echter geen ambacht heeft, zorgt er dan naar uw beste weten voor, dat geen Christen in ledigheid bij u zal leven.

  • Maar als hij zo niet wil handelen, dan is hij een voor wie het Christendom een “zaakje” is.

  • Wacht u voor de zodanige!

  •  

    Noot HOOFDSTUK XII

    1) 2 Tess 3: 10.

     

     

    HOOFDSTUK XIII

  • En ieder waarachtig profeet, die zich bij u wil vestigen, is zijn voedsel waardig.

  • Eveneens is een waarachtig leraar even goed als de werkman zijn voedsel waardig 1).

  • Van elke eersteling dan der voortbrengselen van de druivenpers en van de dorsvloer 2), van runderen en schapen, moet gij nemen en aan de profeten geven, want deze zijn uw overpriesters.

  • En als gij geen profeet hebt, geeft ze de armen.

  • Indien gij brood bereidt, neem de eersteling en geef die naar het gebod 3).

  • Evenzo als gij een kruik wijn of olie aanbreekt, neem de eersteling en geef die aan de profeten.

  • En van geld en kledij en elke bezitting moet gij de eersteling nemen naar uw goeddunken.

  • Geef naar het gebod!

  •  

    Noten HOOFDSTUK XIII

    1) Matteüs 10: 10; Luc. 10: 17; 1 Kor. 9: 13, 14; 1 Tim. 5: 17, 18.

    2) en 3) Num. 18: 11 vv.; Ex. 22: 29; Deut. 18: 3 vv.; Neh. 10: 36 vv.

     

     

    HOOFDSTUK XIV

  • Als gij samenkomt op de dag des Heren 1), breekt brood en viert avondmaal, nadat gij uw overtredingen te voren hebt beleden, opdat uw offer rein zij.

  • En ieder, die enig geschil met zijn naaste heeft, komen niet met u te zamen, voordat er verzoening zij 2), opdat uw offerande niet ontwijd worde, want dit is het (woord), dat gesproken is door de Heer 3): aan alle plaatsen en ten (allen) tijde (zal men) mij een rein offer toebrengen.

  • Want ik ben de grootte Koning, spreekt de Heer, en mijn Naam (is) wonderbaar onder de volkeren 3).

  •  

    Noten HOOFDSTUK XIV

    1) Openb. 1: 10.

    2) Matteüs 5: 23, 24.

    3) Mal. 1: 11, 14.

     

     

    HOOFDSTUK XV

  • Kiest u dan opzieners en diakenen, de Heer waardig; mannen, zachtmoedig en niet geldzuchtig, wààr en beproefd, want ook zij doen voor u de dienst van profeten en leermeesters.

  • Veracht hen dan niet, want zij zijn onder u de geëerde naast de profeten en leraars.

  • En wijst elkaar terecht, niet in toorn, maar in vrede, gelijk gij het hebt (te lezen) in het Evangelie 1). En tot elk, die zich misdraagt jegens de ander, spreekt niemand, noch hoort hij van u een woord, totdat hij zich heeft bekeerd.

  • En uw gebeden en aalmoezen en al uw handelingen moet gij zó doen, gelijk gij het kunt lezen in het Evangelie van onze Heer 2).

  •  

    Noten HOOFDSTUK XV

    1) Matteüs 5: 22; 18: 15-17; 21-35.

    2) Matteüs 6 en 7.

     

     

    HOOFDSTUK XVI

  • Waak over uw leven. Laat uw lampen niet uitgeblust worden en uw lendenen omgord zijn 1), wees dan bereid, want gij weet het uur niet, waarin de Heer komt 2). En komt trouw ter vergadering en zoekt de dingen, die voor uw ziel nodig zijn.

  • Want de ganse tijd van uw geloof zal u tot geen nut zijn, indien gij niet in het laatste uur volkomen wordt bevonden.

  • Want in de laatste dagen zullen de valse, profeten en de verdervers zich vermenigvuldigen, en de schapen in wolven verkeren, en de liefde zal veranderen in haat.

  • Want daar de wetteloosheid wast, zullen zij elkander haten en vervolgen en overleveren, en dan zal de wereldverleider verschijnen als Zoon Gods, en tekenen en wonderen doen, en de aarde zal overgegeven worden in zijn handen. En hij zal dingen doen, die niet geoorloofd zijn, welke nooit in der eeuwigheid geschied zijn 3).

  • Dan zal de schepping der mensen in een vuurproef der loutering komen, en velen zullen geërgerd worden en verloren gaan 4), maar die volharden in hun geloof zullen onder de wereldverschrikking worden behouden 5). En dan zullen de tekenen der waarheid verschijnen 6); eerst het teken van het opengaan van de hemel, dan het teken van het geluid der bazuin, en in de derde plaats opstanding der doden 7).

  • Echter niet van allen, maar gelijk gezegd is: de Heer zal komen en alle heiligen met hem 8).

  • Dan zal de wereld de Heer zien, komende op de wolken des hemels 9).

  •  

    Noten HOOFDSTUK XVI

    1) Luc. 12: 35; 1 Petr. 1: 13.

    2) Matteüs 24: 42, 44; Openb. 3: 3.

    3) 2 Tim. 3: 1; Judas: 18; Matteüs 24: 3-14; 2 Tess. 2: 1-12.

    4) Zach. 13: 8.

    5) Matteüs 10: 22; 24: 13.

    6) Matteüs 24: 3, 30.

    7) 1 Tess. 4: 13-17; 1 Kor. 15: 51, 52.

    8) Zach. 14: 5.

    9) Matteüs 24: 30.

     

     

    TOELICHTINGEN

    I

    De auteur van de Leer der Twaalf Apostelen richt zich tot de volkeren, d.w.z. de uit het heidedom tot het Christendom bekeerde, die nu één gemeenschap vormen.

    Nergens, zegt Harnack, wordt de bijzondere toestand van deze of gene plaatselijke afdeling in 't oog gevat. Geen uitwendige, min of meer naar een staatkundig voorbeeld gevormde organisatie verbindt de gemeenten, die naar hoofdstuk 9: 4 en 10: 5 over de gehele aarde verstrooid zijn.

    Maar toch vormen die gemeenten een eenheid, een geheel, nl. de Kerk des Heren, waarover, zoals het heet, God zelf zijn beschermende hand uitstrekt, die Hij in Zijn liefde, volmaakt, heiligt en eens te zamen brengt tot zijn Koninkrijk.

    Is dus de Kerk nu nog onvolkomen en verstrooid, en zal zij eerst in het Koninkrijk Gods een volkomen geheel vormen, toch is die eenheid van de haar vormende gelovigen geen denkbeeldige.

    Want alle Christenen zijn in de Naam des Heren gedoopt, voeden zich met dezelfde geestelijke spijzen, bouwen op dezelfde openbaring van hun geloof, hun kennis en de onsterfelijkheid (9: 3; 10: 1, 2).

    't Is, zoals Prof. Kleyn hierbij opmerkt, alsof wij Tertullianus horen, die zegt: “Wij zijn één lichaam door de kennis van godsdienst en de eenheid des hemels en de band der hopen.”

    Welnu, van het geloof, dat de Christenen van de jaren 64-150 na Chr. met elkander verenigde, weten wij iets. Dat de Christenheid een broederband vormde, die zich tot volstrekt zedelijke reinheid en tot onbepaalde betoning van liefde verplicht rekende, dat is in ons N.-T. duidelijk te lezen.

    Maar dat de verspreide gemeenten niet alleen van het begin onderlinge gemeenschap had, maar ook bleven hebben door de apostelen, de profeten, de leraars, door de reizende predikers van Gods woord, dit laatste was vóór de uitgave van ons geschrift vrijwel onbekend. Het onderwijs des Heren door de Twaalf Apostelen aan de heiden-Christenen, heeft er nieuw licht op geworpen. Wij begrijpen thans beter hoe er van Spanje tot Syrië en Egypte, van de Rijn tot in Afrika zoveel eenheid onder zo velerlei tongen en natiën gevonden werd, ook vóórdat een vaste regel des geloofs in het zogenaamd Symbolum Apostolicum en in de Kanon van het N.-T. aanwezig was.

     

     

    II

    Deze Didachè is het eerste geschrift, dat in de zes eerste hoofdstukken de zedelijke regels, waaraan de Christenen van de 2e of 3e generatie verbonden zijn, min of meer stelselmatig zoekt te beschrijven.

    Twee wegen, zegt de auteur, zijn er: een weg ten leven en een weg ten dode, en een groot onderscheid is er tussen die twee.

    De weg ten leven is deze: ten eerste, gij zult God liefhebben, die u geschapen heeft; ten tweede, uw naaste als uzelf; alles, wat gij niet wilt, dat u geschiedt, doet dat ook niet aan een ander (1: 1-2).

    Hij zet, na dit voorop te hebben geplaatst, de leer, welke in deze woorden ligt opgesloten, uiteen.

    Liefde tot God betoont men door ook zijn vijand lief te hebben, door verdraagzaamheid, door mededeelzaamheid, in één woord door volkomen zelfverloochening (1: 3-6). Liefde tot de naaste, bewijst men bovenal door de misdrijven na te laten, die reeds op de tweede tafel der 10 geboden veroordeeld zijn, en verder door iedere medemens naar zijn aard en omstandigheden te behandelen.

    In het verkeer met de mensen: door aan geen zonde der onkuisheid, geen vergrijp aan 't leven, geen begeerte naar 's naasten goed, geen dubbelhartigheid en dubbeltongigheid zich schuldig te maken, maar door volstrekte, met daden bekroonde, waarheidsliefde te beoefenen.

    Haten zult gij niemand, zo heet het tenslotte, maar de een (de dwalende) zult gij overtuigen; voor anderen (de zwakken en berouwhebbende) bidden; over nog anderen (voor hen, die u vervolgen) zelfs vasten, een eis, die wij in dit verband nergens elders aantreffen; en bovendien de rechtvaardigen liefhebben meer dan uw eigen leven.

    Maar bij dat alles laat de auteur het niet.

    Buiten de grove zonden zijn er, volgens hem, ook fijnere overtredingen, die even goed moeten worden vermeden. Mijn zoon, zo spreekt hij de Christen vertrouwelijk toe, vlied alle kwaad en wat er op gelijkt; voed geen onkuise begeerte, want ze voert tot ontucht. Mijn zoon, wees geen vogelwichelaar, want het leidt maar tot afgoderij 1).

    En zo gaat het voort, om ook volstrekte beginselen op de voorgrond van 't leven te brengen: beginselen van reinheid, waarheid, liefde en eerbaarheid.

    Als wij nu bedenken dat de schrijver van ons leerboekje kennelijk nog niets weet van gezaghebbende N.-T.sche geschriften, is het dan niet zeer opmerkelijk dat daarin reeds gewezen wordt op de weerklank van de eerste en onsterfelijke prediking, die wij in de Bergrede bezitten?

    Waarlijk, hier is een man aan 't woord, die zelf inziet en anderen wil doen inzien, dat voor hem en de zijnen zedelijke reinheid niet alleen een deugd is, waarnaar men moet streven, en een verplichting, die naar het Evangelie op hen rust, maar ook de voorwaarde bij uitnemendheid van des Christens bestaan.

    “Als het zout smakeloos is geworden, waarmede zal het smakelijk worden gemaakt?” We treffen die veelbetekenende vraag des Heren in ons boekje niet aan, doch mogen zeker veronderstellen dat de waarheid er van leefde in zijn ziel.

     

    Noot bij TOELICHTING II

    1) Niets kan ons zo goed een indruk geven van de buitengewone lichtgelovigheid van deze tijd, als de geschiedenis van de beruchte bedrieger-profeet Alexander, cf de Adventstijd der wereld, door Prof. Van Nes, bladz. 109.

     

     

    III

    Uit andere bronnen weten wij voldoende, dat de maatschappelijke toestand in de eerste jaren van het Christendom meer dan zorgelijk waren.

    Het evenwicht tussen de verschillende klassen en standen was ten gevolge van de staatkundige beroeringen, te midden waarvan het Keizerrijk werd geboren, ten enenmale verbroken.

    De omvang der armoede breidde zich van jaar tot jaar verder uit, en lijden en gebrek waren aan de orde van de dag.

    Verenigingen tot onderling hulpbetoon ontstonden onder het volk. De Staat schonk grootte sommen gelds voor geregelde uitkeringen van spijzen en gaf nog spelen op de koop toe. Keizers en rijke lieden riepen gestichten tot verpleging in 't aanzijn. Onder Nerva en Trajanus werden aan kinderen uit arme gezinnen in Rome en Italië uitdelingen gedaan.

    Zo verhaalt ons ook een inscriptie, dat een drogist 300 potjes met kruiden en een som geld van zesduizend gulden naliet om daarvoor gratis geneesmiddelen aan de armen te doen verstrekken.

    Dat alles was zeer schoon. Maar bij de Christenen was de liefdeswerkzaamheid hoofdzaak, spontaan.

    Hun godsdienstige en zedelijke opwekking, waarin ons geschrift ons het inzicht gunt, sloeg de bepaalde richting naar broederlijk hulpbetoon in.

    Niet alleen was het een stellig gebod van hun Heer: “Verkoop wat gij hebt en geef het de arme,” maar de eigenlijke drangreden der liefdebetoon school dieper.

    De auteur legt ze in deze woorden bloot: wend u niet af van de behoeftige, maar gij zult alles met uw broeder delen, en zeg niet dat iets uw eigendom is; want indien gij in het onvergankelijke te zamen deelt, hoeveel te meer dan in het vergankelijke.

    Licht hier de Leer der Twaalf Apostelen ons niet treffend toe, wat reeds in Hand. 4: 32 vermeld was: “Niet één zei dat iets van hetgeen hij bezat, het zijne was, maar zij hadden alles gemeen”?

    VASTEN - DOOP - GEBED - EUCHARISTIE

     

     

    IV

    A) Over “vasten” wordt ons in Hoofdstuk 7 en 8 gesproken, zonder dat die handeling nader omschreven wordt.

    Maar als wij de auteur horen vermanen: “uw vastendagen mogen echter niet gelijk gesteld worden met de geveinsde,” dan is daaruit zeker af te leiden, dat door hem niet zal bedoeld zijn een vasten, gelijk dat door de Farizeeën in Jezus’ dagen werd gedaan: tweemaal, ja zelfs vier maal per week, en daarbij dan nagelaten het gewone zalven van het hoofd en het wassen van het aangezicht. Ook zal hij niet gedacht hebben aan dat soort van vasten, gelijk het later in de Roomse Kerk bestond, maar waarbij een afwisseling der gewone spijzen met andere voldoende werd geacht.

    Neen, onze auteur zal wel bepaald bedoeld hebben, gelijk de vrome Israëliet dit deed, waarbij de ganse dag geen bete broods genuttigd, geen teug waters gedronken werd en heel die daad moest verricht worden voor God en niet voor het oog der mensen, zodat alle schijn, alle vertoning van vroomheid werd vermeden.

    En in die zin het vasten opgevat, wie kan dan die vermaningen wraken?

    't Was dan een hulpmiddel tot de oefening in godzaligheid.

     

    *** **** ***

     

    B) Van Tertullianus (omstreeks 200 na Chr.), die de kinderdoop, welke in zijn dagen al verder en verder doordrong, veroordeelde als een “nieuwigheid” en ons daarbij van de doop geformuleerde geloofsregels heeft gegeven, weet onze auteur niets af. Bij hem staat bij de doop slechts de opneming in de gemeente op de voorgrond.

    Wie onderwezen is in de zedeleer, gelijk die uiteengezet wordt in het eerste tot het zesde hoofdstuk, wordt gedoopt in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, die komt derhalve in betrekking tot en in gemeenschap met de Naam van de Vader, Zoon en Heilige Geest. Slechts één bijzonderheid bij de doop, waarvan wij vóór die tijd nergens iets vernemen is dat onze auteur zegt dat warm of koud water kon worden gebruikt; een vermelding, welke naar alle waarschijnlijkheid in verband staat met de onderdompeling, welke in die dagen bij de doop regel was.

    Opmerkelijk is hier de doopsformule, gelijk die ons uit Matteüs 28: 19 bekend is.

     

    *** **** ***

     

    C) Het ware bidden is zoals de Heer in zijn Evangelie heeft geboden: onze Vader, die in de hemel zijt.

    Het “Onze Vader” naar de tekst van Matteüs, behoudens de kleine verschillen, die reeds in de noot bij de vertaling zijn aangewezen (Hoofdst. 8).

    Opmerkelijk heeft onze auteur de doxologie op één woord na.

    't Is bekend dat ze ook in onze Staten-Overzetting is opgenomen, doch door Tischendorf in zijn octava is weggelaten, hetgeen later in de meeste tekstuitgaven en vertalingen is nagevolgd. Het bidden moet voorts driemaal daags geschieden, hetgeen ons onwillekeurig herinnert aan Daniël 6: 11: “en dagelijks knielde hij driemaal neder en bad tot zijn God.”

    Dat onze auteur het “Onze Vader” nog geheel beschouwt als een “formuliergebed” behoeft hier niet nader te worden aangewezen.

     

    *** **** ***

     

    D) Over de eucharistie wordt in ons geschrift nog al uitvoerig gesproken.

    De auteur gebruikt nergens de namen, die wij in het N.-T. daarvoor kennen.

    Bij Paulus is het: “de maaltijd des Heren”, “de tafel des Heren.”

    Het woord: “eucharistie” is door de Roomse Kerk overgenomen van Ignatius, Irenaeus, Clemens Alexandrinus, Tertullianus e.a. die er het sacramentele brood en de wijn onder verstaan.

    Onder de Protestantse christenen is het gebruikelijk geworden om de instelling des Heren aan te duiden met de woorden: avondmaal, nachtmaal, de tafel des Heren.

    In elk geval denken wij, Protestanten, bij het woord eucharistie aan iets anders dan de Roomse Kerk doet.

    Waar wij bij de auteur wel de doopsformule van Matteüs 28: 19 aantreffen, mag het ons enigszins bevreemden dat wij bij hem niets lezen van de instellingswoorden bij het Avondmaal, welke ons uit Matteüs 26, Marc. 14, Luc. 22 en 1 Kor. 11 zijn bekend geworden.

    Maar hetgeen wij in onze N.-T.schen kanon missen, wordt hier nader vermeld.

    De Schrijver zegt ons dat God bij die plechtigheid wordt beleden, dat Zijns is de eer en de kracht.

    Aan God wordt hulde gedaan als aan de almachtige Heerser, die alles om Zijns Naam wil geschapen heeft, als aan de Heilige Vader, die Zijn Naam een woning heeft bereid in het hart der gelovigen.

    Voorts wordt er bij betuigd dat Jezus de Knecht Gods is, en dankzeggend erkend dat Hij het is, door wie God het geloof en de kennis, het leven en de onsterfelijkheid heeft geopenbaard (9: 3; 10: 2), door wie Hij genadig geestelijke spijzen en drank en eeuwig leven geeft.

    Treffend zijn ook de gebeden, die bij die plechtigheid worden aangeheven.

    Nam men aan de broederlijke maaltijd naar een overoud, eerwaardig gebruik onder de Joden, de drinkbeker (Luc. 22: 17), daarna sprak men: wij danken U, onze Vader! voor de heilige wijnstok (het Messiaanse heil) van uw knecht David, welke gij ons hebt geopenbaard door Jezus, uw Knecht.

    U zij de ere in eeuwigheid!

    Vervolgens bij het gebroken brood: wij danken U, onze Vader! voor het leven en de kennis, die Gij ons hebt geopenbaard door Jezus, uw Knecht.

    U zij de ere in eeuwigheid!

    Gelijk dit gebroken brood verstrooid was over de bergen en, samengebracht, één werd, zo wordt uw gemeente bijeengebracht van het einde der aarde in uw Koninkrijk.

    Want U is de heerlijkheid en de macht, door Jezus Christus in eeuwigheid!

    Ten besluit, na verzadigd te zijn en van het brood gegeten en van de wijn gedronken te hebben: wij danken U, heilige Vader! (heeft de auteur Joh. 17 gekend?) voor uw heilige Naam, die gij woning hebt bereid in onze harten, en voor de kennis en het geloof en de onsterfelijkheid, die gij ons hebt geopenbaard door Jezus, uw knecht.

    U zij de ere, in eeuwigheid!

    De genade Gods komen, terwijl deze wereld voorbij gaat! Hosanna de God Davids! Wie heilig is, trede naderbij; wie het niet is, doe boete en kom! Maranatha, Amen! Welke treffende gebeden!

    Roerend in hun eenvoud. Bezielend door hun warmte. Zou het ongepast, misplaatst zijn, nu in onze dagen de Liturgie in het teken van veler belangstelling staat, deze korte gebeden nu en dan bij onze tegenwoordige avondmaalsvieringen te gebruiken? 't Is slechts een vraag, die mogelijk hier of daar een antwoord ontvangt. Ons in die samenkomsten en bij die gebeden vertegenwoordigende, zien wij in de geest die eerste Christenen met elkander aangezeten in gehoorzaamheid aan 's Heren bevel: doe dit tot mijner gedachtenis!

    Wat zal daar alles eenvoudig zijn toegegaan.

    Het zilver van beker en schotels, het fijn damast, de rijk gevulde offerschalen op ònze avondmaalstafels geen onbekende zaken, zullen zeker ontbroken hebben. Maar niet zal 't daar ontbroken hebben aan geloof, toewijding, heiliging en stichting.

    Daar waren broeders en zusters te zamen, die alles zagen in verband met God, die eerbiedig door het leven heengingen en het op allerlei wijze uitspraken dat hun leven “Christus” was.

    0, op hen ziende en aan hen denkende, mag het ons zijn alsof Paulus' woord door die vergadering heen klonk: “Gij ziet uw roeping, broeders! dat gij niet vele wijzen zijt naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen” (1 Kor. 1: 26).

     

     

    V

    Deze vijfde Toelichting heeft betrekking op hetgeen ons in ons geschrift wordt medegedeeld omtrent apostelen, profeten, leraars, reizende predikers, opzieners en diakenen.

    Eusebius verhaalt in zijn Kerkgeschiedenis (die aantekening vond ik bij Harnack) van mannen, die leerlingen waren van de opvolgers der apostelen.

    Met een brandende liefde voor de weg der zaligheid naar het Evangelie vervuld, gehoorzaamde zij eerst aan het letterlijk opgevat gebod des Heren en verdeelde hun goed onder de armen; vervolgens begaven zij zich op reis en verrichtten het werk van evangelisten, zich er ijverig op toeleggende om hun, die nog niets van het woord-des-geloofs had vernomen, Christus te prediken.

    Deze nu legde in vreemde, verre landen alleen de grondslag des geloofs, terwijl zij, na anderen als “herders” te hebben aangesteld, met Gods genade en medewerking weer naar andere streken en volken gingen.

    Eusebius, zegt Harnack, spreekt echter, over die mannen, zoals iemand, die de dingen van horen zeggen heeft, maar die eigenlijk het recht er niet van weet.

     

    *** **** ***

     

    Had echter Eusebius het in 1875 gevonden manuscript gekend, dan zou hij zeker heel wat meer omtrent die mannen hebben kunnen mededelen.

    Voor ons geslacht is het echter bewaard gebleven.

    De Leer der Twaalf Apostelen geeft ons hier het rechte licht en verheldert plaatsen in het N.-T. als Hand. 11: 27, 13: l; Rom. 16: 7; Ef. 4: 11, 2: 20, 3: 5; Openb. 2: 2; 2 Kor. 11: 3, 4; Matteüs 10; allemaal plaatsen waar over “apostelen” buiten de Twaalven, van profeten, leraars, opzieners, diakenen enz. gesproken wordt. “Voorgangers” noemt de brief aan de Hebreeën die allen, verkondigers van Gods woord.

    De Handelingen tekenen ons verder hun eerste werkzaamheid.

    “Er waren", zo lezen wij in Hand. 13: 1, "te Antiochië bij de gemeente aldaar, als profeten en leraars, Barnabas en Simeon, genaamd Niger, en Lucius de Cyreniër en Manahem, die met Herodes de viervorst opgevoed was, en Saulus.”

    Ten gevolge van een openbaring door de H. Geest, zeker door middel van een dezer profeten, worden Barnabas en Saulus uitgezonden om elders het woord Gods te verkondigen en, van die plicht zich kwijtende, heten zij “apostelen” (Hand. 14: 14).

     

    *** **** ***

     

    Paulus zelf oordeelt later dat in de gevestigde gemeenten door God gezet zijn onderscheidde bedieningen en gaven, gelijk leden in één lichaam. Vooreerst: apostelen, ten tweede: profeten en ten derde: leraars (1 Kor. 12: 28).

    Welnu, ons boekje leert door zijn voorschriften ten aanzien van de kerkleraars dat, een kleine eeuw later dus, in de Christenheid de toestand nog is, gelijk Paulus beschrijft o.a. in de brief aan de Efezen.

    Voorop stelt de auteur de plicht der gemeente om hen, die het woord Gods willen prediken, te eren als de Heer, want waar het koningschap aangekondigd word is de Heer (4: 1).

    Andere regels volgen dan in Hoofdst. 11-15.

    Wanneer de rondreizende predikers tot hen komen en zij alles leren, wat hierboven in de eerste hoofdstukken genoemd, wordt voorgehouden, dan moeten zij worden ontvangen. Maar naar iemand, die leert en er zelf verandering inbrengt, en die een andere leer voorhoudt, die het geleerde teniet doet, moet men niet luisteren.

    Leert hij echter zo dat hij gerechtigheid en kennis des Heren vermeerdert, neemt hem dan aan als de Heer.

     

    *** **** ***

     

    Wat nog in 't bijzonder de apostelen en profeten betreft, moet gehandeld worden naar het voorschrift van het Evangelie, waarbij te denken is aan woorden, die ons in Matteüs 10: 5, 7: 15, Luc. 9: l, 10: 4 bewaard zijn gebleven. Iedere apostel, d.i. de eigenlijke zendeling, wiens roeping is het Evangelie onder de ongelovigen te prediken, wordt aangenomen gelijk de Heer.

    Maar hij zal niet langer dan één dag blijven, zo nodig, dan nog de andere dag.

    Blijft hij echter, uit eigen beweging, drie dagen, dan is hij een leugenprofeet.

    En als de apostel weer vertrekt, neemt hij niets mee dan brood voor één dag; vraagt hij om geld, dan is hij een leugenprofeet.

    Wij mogen op grond van deze enigszins vreemde voorschriften, misschien wel veronderstellen dat hij, die ze gaf, nog al over gemeenteleden, die het zelf niet breed in deze wereld had, bezorgd was.

    Men moest anderen geen tijdelijke lasten opleggen, tenzij het bepaald nodig was.

     

    *** **** ***

     

    Voorts, geen profeet, d.i. de man, die, in mindere of meerdere mate buiten zichzelf, in geestvervoering de verborgenheden der godzaligheid onthult en daarbij de blik op de toekomst richt, stelt men op de proef en beoordeelt hem, want elke zonde wordt vergeven, maar de zonde tegen de Geest niet (Hoofdst. 11). Maar niet ieder, die in de geest spreekt, is een profeet, maar alleen hij, die iets in zijn spreken verraadt van de geest van Christus.

    Aan de wijze-van-doen derhalve wordt de profeet en de leugenprofeet onderkend.

    Aangaande die profeten wordt nog opgemerkt, dat zij te vergelijken zijn met de 0.-T.sche overpriesters. Zij ontvangen de eerstelingen van de voortbrengselen van wijnpers en dorsvloer, van groot en klein vee, van olie en wijn, van geld en kleding en al wat de Christenen bezitten, naar deze regel: iedere arbeider Gods is zijn onderhoud waardig (13: l-7).

     

    *** **** ***

     

    Omtrent de opzieners en diakenen in de gemeente wordt in ons boekje geleerd dat die mannen door de gemeente zelf moeten worden gekozen.

    Door de gemeente! Derhalve niet door Kiescolleges, wat een uitvinding is van latere tijd.

    Bij ontstentenis van profeten en leraars bewijzen die door de gemeente aangewezen mannen hun diensten.

    Daarom heeft men hen niet gering te achten, vergeleken met anderen, die niet door mensen geroepen, maar door God zelf verkoren voorgangers zijn, want deze zijn de geëerde onder u, te zamen met de profeten en leraars (15: 12).

     

     

    VI

    Deze laatste “Toelichting” kan zeer kort zijn. Ze betreft datgene, wat we lezen in het laatste hoofdstuk.

    't Is in een hoogst ernstige toon geschreven.

    Dat 16e Hoofdstuk is vol gedachten, welke ons, die de N.-T.sche geschriften kennen, niet vreemd zijn.

    't Is ons alsof de auteur bij het schrijven Matteüs 24 en de brieven aan de Tessalonicensen voor de geest hebben gestaan. Welnu, met de inhoud van de Leer der Twaalf Apostelen bekend, mogen we ons verheugen dat in de weg van Gods Voorzienigheid dit manuscript tot ons is gekomen, daar het ons van een en ander in 't leven der Christenen, die behoorde tot de 2e of 3e generatie, zovelen belangrijke berichten geeft.

     

     

    REGISTER

    Van bijbelplaatsen, die in de Leer der Twaalf Apostelen, hetzij letterlijk, hetzij gedeeltelijk zijn aangehaald, alsmede woorden en gedachten, die niet alleen aan bijbelplaatsen, maar ook aan plaatsen in andere geschriften doen denken.

     

    Exodus: 20: 13, 15, 16; 22: 29

    Jesaja: 1: 23; 11: 1, 10; 66: 2

    Matteüs: 6: 5, 9-13, 17; 7: 6, 12, 16, 22, 23; 10: 5-12, 22, 40; 11: 29, 30; 12: 31; 13: 3; 18: 15, 17, 21-35; 19: 18, 21; 21: 9; 22: 37-39; 23: 3; 24: 3, 13, 30, 31, 42, 44; 25: 34; 28: 19

    Leviticus: 19: 15, 18, 26, 31

    Jeremia: 21: 8

    Psalmen: 37: 11; 118: 26

    Daniel: 4: 27; 6: 11

    Nehemia: 10: 36

    Numeri: 18: 11 vv.

    Deuteronomium: 5: 17 vv.; 5: 19; 6: 5; 12: 32; 16: 19; 18: 3, 9-12

    Zacharia: 13: 8; 14: 5

    Spreuken: 29: 22

    Maleachi: 1: 11, 14

    Marcus: 3: 28-30

    Fillippenzen: 2: 14

    Matteüs: 5: 5; 5: 7; 5: 22; 5: 23-26; 5: 33-37; 5: 39-48; 5: 44-46

    Lucas: 6: 27-29, 30-32, 35; 7: 15-23; 9: 1-6; 10: 4-21; 11: 2-4; 12: 10, 35, 58, 59

    Petrus: 2: 10

    Kolossenzen: 3: 12, 18

    Johannes: 13: 20; 15: 1; 17: 3, 11

    1 Tessalonicensen: 4: 13-17; 5: 22

    2 Tessalonicensen: 2: 1-12; 3: 10

    1 Johannes: 4: 18

    2 Johannes: vers 10

    Judas: 16, 18, 22

    Handelingen: 4: 32; 8: 16; 12: 13; 15: 10; 19: 15; 20: 35; 22: 14, 18, 19

    Openb. van Joh.: 1: 10; 3: 3; 4: 11; 4: 3, 5; 18: 1; 24: 8

    Romeinen: 1: 29; 8: 28; 12: 9, 16; 15: 27

    Jezus Sirach: 12: 15

    1 Timotheüs: 5: 17, 18

    2 Timotheüs: 4: 18

    Titus: 2: 12

    Efeze: 5: 3, 4; 6: 4, 5, 9

    1 Korintiërs: 9: 13, 14; 15: 51, 52; 16: 22

    2 Korintiërs: 9: 7

    Hebreën: 3: 4; 13: 7

    1 Petrus: 1: 13; 2: 1, 11; 4: 9

    Jacobus: 1: 8, 19, 20; 3: 16; 5: 16

    Wijsheid van Salomo: 1: 14

    Tobith: 4: 15

    Galaten: 5: 20

    Hermas: Gebod 2: 4-6; Gebod 8: 3-5; Gebod 11: 7

     

    Terug naar Indexpagina Community of Peace Nederland

    Wat is "Archeosofie?"

    International Biogenic Society

    De Bijbel zoals ze is

    Internet Links